maandag 30 juni 2014

Een nieuwe wereldtentoonstelling






Essentieel. Ben aan mijn stand verplicht om er iets over te schrijven. Hier leg ik kort uit waarom de tentoonstelling over de films van David Cronenberg in Eye Amsterdam zo goed is (met een klein nostalgisch uitstapje naar de videotheek.) Inclusief een lijstje van vijf essentiële films (veel te weinig natuurlijk, maar je moet toch ergens beginnen.) Kreeg ontzettend zin om alles weer eens chronologisch te gaan kijken.

vrijdag 27 juni 2014

Een positieve ontwikkeling


Omdat onder het mom van "we benoemen alleen de ontwikkelingen" begrijpelijk een neutrale toon dient te worden aangehouden, zal ik het maar even vanuit een cultureel persepctief een zeer postitieve ontwikkeling noemen. Uit de resultaten van het Antenne onderzoek 2013 van Jellinek Preventie en het Bonger Instituut:

Het reguliere clubcircuit staat onder druk. Slimme jonge ondernemers organiseren feesten op alternatieve locaties, vooral buiten het centrum van de stad. Deze trend is al een tijdje aan de gang. In 2013 zien we een stroomversnelling en het sleutelwoord is nu: ‘rave’. Raves zijn kleine dance events die niet gebonden zijn aan een vaste locatie of een vaste avond. Ze variëren van kleine festivals tot semilegale feestjes, binnen of in de open lucht. Er zijn uitgaanders die zweren bij raves, andere gaan liever naar clubs. Maar deze circuits zijn niet strikt gescheiden: er zijn ravers die wel eens naar een club gaan en clubbers die ook raves bezoeken.
en:

De dosering van ecstasypillen was in 2013 historisch hoog: gemiddeld 148 mg MDMA per pil. Er was veel variatie in de dosering, maar bijna twee op de drie pillen (64%) waren hoog gedoseerd (> 140 mg MDMA).
 Eens kijken of dat beleefd duffe biersfeertje kan worden weggeblazen.

dinsdag 24 juni 2014

Mode in de jaren negentig



Ik word niet zo snel overmand door nostalgie maar 'From the Fax Machine to Fashion Week: Fashion in the 90s' in Harper's Bazaar geeft vanuit een aantal invalshoeken een mooi beeld van mode in de jaren negentig:
The shows were much more exclusive and even the shows in New York were not as much about celebrity. Really it was just the editors that went. There was no street style. Particularly in Europe, just editors went to shows. The funny thing was, Paris was pretty irrelevant and Milan was pretty major because Prada, Gucci and Versace were there. That was where the news came from. Saint Laurent was still at YSL and that's was like completely moribund. Chanel was important. The models were more women, there were still girls working like the Carolyn Murphys, but it wasn't the very young girls who were like 14 and 16. Overall, the shows just had a lot more spectacle. I mean Gianni Versace died in 97. Versace was super important. Gucci was super important. That's where all the trends were coming from and it was around the time that New York had just started to be at the beginning of the season— historically it had been at the end of the season until Calvin Klein changed it. Helmut Lang was a really important collection and that showed in New York. But a lot of the Parisian houses that we all think of as super iconic had not been renewed or rebooted yet—no Givenchy, no Lanvin—in the way we think of it now.


vrijdag 20 juni 2014

Overal Alphaville


'Dark inventory, death of a city edition', een interessant stuk over een mogelijke toekomst van de grote stad waar het gunstiger is om huizen leeg te laten staan. 'Legacy' is overigens het nieuwe buzzword, nietwaar? Vraag me of ik een legacy occupant van Amsterdam ben.
Imagine the scenario many years along: streets and streets of vacant properties and offices, because there’s simply no one left who can afford the rents that can make renting worthwhile for landlords. And even though high prices have encouraged large volumes of new supply to be created by developers these have ended up mostly in the hands of wealth-preservationists, going straight into dark inventory stores.

The capital city retains value only as a retail showroom, a cultural tourist spot and/or an arts and social hub for visitors or legacy occupants. But it has all the same been significantly dehumanised because almost no-one can afford to work there. The workers have either been replaced by robots and technology, or forced (unwittingly) into servitude to a faceless overseer who grants them permission to live rent free. Yes, yes.. think Jean-Luc Godard’s Alphaville.

Meanwhile, inevitably, the outskirt flourished as people from the city relocated to more affordable rural or regional parts of the country. This was facilitated by the internet which increasingly enabled people to work from wherever they choose.

maandag 16 juni 2014

Tekst en technologie

Toevallig sloeg ik Understanding Media (1964) van Marshall McLuhan open op de onderstaande passage, net nadat ik een van die artikelen had gelezen (Tim Parks - 'Reading: 'The Struggle') die zich zorgen maakt over aandacht van de lezer en de complexe stijl van de roman.



The speed-up of information gathering and publishing naturally created new form of arranging material for readers. As early as 1830 the French poet Lamartine had said. "The book arrives too late," drawing attention to the fact that the book and the newspaper are quite different forms. Slow down typesetting and news-gathering, and there occurs a change, not only in the physical appearance of the press, but also in the prose style of those writing for it. The first great change in style came early in the eighteenth century, when the famous Tatler and Spectator of Addison and Steele discovered a new prose technique to match the form of the printed word. It was the technique of equitone. It consisted in maintaining a single level of tone and attitude to the reader throughout the entire composition. By this discovery Addison and Steele brought written discourse into line with the printed word and away from the variety of pitch and tone of the spoken, and even the hand-written, word. This way of bringing language into line with print must be clearly understood. The telegraph broke language away again from the printed word, and began to make erratic noises called headlines, journalese, and telegraphesephenomena that still dismay the literary community with its mannerisms of supercilious equitone that mime typographic uniformity.

vrijdag 13 juni 2014

Cosmos: A Spacetime Odyssey in detail besproken


Voor wie gisteren het bericht heeft gemist: ik heb een artikel over Cosmos: A Spacetime Odyssey gepubliceerd op Myjour: 'De anti-autoritaire wetenschap'. Ik ga onder andere in op de esthetiek, de relatie met het origineel en de onderliggende gedachten van de serie die politieker is dan ik van te voren had verwacht.

Waar ik het niet over heb is de muziek. Die is overigens acceptabel. Niets dat in de buurt komt van Vangelis in Cosmos: A Personal Journey.

maandag 9 juni 2014

Elektrische gedachten

Electric technology, by virtue of its immediate relation to our nervous system, is itself a sort of inner trip, with drugs playing the role of sub-plot or alternate mode. It may well appear a few years hence that the panic about psychedelic drugs relates less to the chemistry than to the hidden terrors which people feel in the presence of electric technology.
Marshall McLuhan over Timothy Leary. Lees hier de achtergrond. Er was een tijd dat ik helemaal in dat tijdperk was ondergedompeld (ik heb zelfs een scriptie geschreven over LSD als technologie). McLuhan en Leary, twee figuren waar ik om verschillende redenen ambivalente gevoelens over heb, maar de energie van hun gedachten is nog steeds geweldig, elektrisch.

woensdag 4 juni 2014

Uit het archief: 'Closer: Existentialistische Acid'


Met de aankondiging dat er eindelijk een nieuwe Plastikman plaat aankomt -die preview klinkt heerlijk- is het een goed moment om weer eens in de oude doos te duiken. Een van twee kritieken die ik schreef voor De Subjectivisten. Pre-blackout dus alleen bewaard gebleven in Toekomstdagen 2002-2007.




closer: existentialistische acid



“Dit universum, dat voortaan zonder meester is, lijkt hem noch steriel nog zinloos. Elk splintertje van die steen, elke mineraal van die donkere berg, vormt op zichzelf een wereld. De strijd om boven te komen, is op zichzelf voldoende om het hart van een mens te vervullen. We moeten ons Sisyphus als gelukkig voorstellen.”


         Albert Camus – De Mythe Van Sisyphus


De hoes: een oog tegen een zwarte achtergrond. Of wel een uitdovende zon, de bron van leven, die zijn laatste vlammen de oneindigheid in stuurt. Optioneel: de titel als referentie aan Joy Division. Voordat je een bliepje hebt gehoord van het vierde officiële Plastikman album weet je dat dit geen feestmuziek wordt. Nu heeft Richie Hawtin door de jaren heen steeds strenger een scheiding aangebracht tussen de muziek die hij draait als DJ (gericht op complete extase) en reserveert voor albums die strak geconceptualiseerd zijn, een vorm van contemplatieve techno zo je wilt. Kaal, Spartaans maar niet zonder menselijke schaduwen.

Closer is op het moment vooral onderwerp van discussie omdat Hawtin zijn stem laat horen. Zingen kan je het nauwelijks noemen wat die zware, droevige robotstem laat horen. Het zingen op zich is niet belangrijk maar juist dat de woorden plotseling het abstractieniveau van Hawtins vorige albums enigszins laat ademen en diezelfde albums in een nieuw licht plaatst. De stem twijfelt, is gevangen in een hoofd, is geobsedeerd door zijn relatie met gedachten, de richting van denken, de ruimte van het bewustzijn, de aard van subjectiviteit. Ik kan de muziek niet anders noemen dan existentialistische acid. Een muziek voor een goddeloos universum, pessimistisch, onbehagelijk, waar het grote niets altijd op de loer ligt, waar de gedachten afsterven, waar vervreemding in de relaties met anderen heerst.

Met het benoemen worden de vorige Plastikman albums ook plotseling een eenheid. Dit existentialisme blijkt altijd aanwezig te zijn geweest. De sciencefictionscenario’s van Sheet One waarin het individu verloren is in de liefdeloze kosmos, Musik als een studie naar de relatie tijd-Zijn-muziek, de leegte van Consumed (in het Engels heeft consumption een nare betekenis van: het geleidelijk vergaan van lichaamsweefsel.) De muziek zelf is bijkans nog kaler dan op Consumed, dat ten minste een spookachtige kwaliteit bezit, machines die schijnen met een aura. De stem is noodzakelijk om het kale geluid van Closer te redden van pure abstractie. Wanneer de plaat binnen haar parameters uitschiet is zij het minst interessant: ‘Headcase’ en ‘Mind Encode’ vormen het abstracte extreem, ze gaan in hun schier eindeloze herhaling nergens naar toe, of beter ze klinken als een afdaling in de gapende afgrond van het onderbewustzijn, het labyrint van het zenuwstelsel. Boven die afgrond balanceren bewuste gedachten waarvan de single ‘Disconnect’ het meest tekstueel is, helaas zonder het niveau van een depressief kinderrijmpje te ontstijgen, het spelt de dingen teveel uit.

De rest van de plaat gaat in een vloeiende beweging voorbij, er is een langgerekt synth-thema in de melancholische traditie van Blade Runner dat op gezette tijden terugkeert en de volgende constructie van percussie en zoemende bas aankondigt. De gedachte aan Blade Runner is met name tijdens ‘Lost’, wanneer plotseling het geluid van mechanische tranen verschijnt, niet toevallig. Zoals veel muziek van Hawtin worstelt Closer met vraagstukken over de aard van het ik wanneer de instroom van de machine in het menselijke steeds subtieler wordt. Is dit een tendens naar een definitieve erosie van het vrije subject of een nieuwe bewustzijnsconstructie zwanger met onontgonnen angsten, halfbegrepen onzekerheden en ook overweldigende mogelijkheden?

Het is, vermoed ik, muziek die een nieuwkomer in het genre weinig plezier kan schenken. Techno-voor-kenners klinkt wellicht onnodig elitair, maar Closer doet me denken aan Simon Reynolds’ opmerking dat veel post-Basic Channel techno alleen maar is te waarderen door jarenlang te luisteren naar house, totdat op een gegeven ogenblik een soort overgevoeligheid wordt ontwikkeld voor microscopische veranderingen in geluid. Een sonisch equivalent van de subatomaire realiteit waar andere wetten gelden: een subtiele verandering in ruimtelijkheid, een klein effect, even wat meer reverb krijgt gigantische gevolgen. Een mooi voorbeeld is het afsluitende ‘I Don’t Know’ dat 5 minuten lang een ritme opbouwt zonder zicht op een werkelijk doel. Dan verschijnt een subtiele acidmelodie die een uitweg biedt, het is het geluid van hoop.

Derrick May omschreef techno ooit als “een ongeluk, een ontmoeting tussen Kraftwerk en George Clinton in een lift”. Hawtins versie van techno verwijdert Clinton uit dit scenario maar in plaats van een andere muzikant lijkt de muziek beter te omschrijven door de toevoeging van schilders als Rothko of Newman. Omdat de muziek van Hawtin zo “weinig geeft” ga je als luisteraar haast automatisch zoeken naar visuele opvullingen: de kleur-om-in-te-verdrinken van Rothko of de-gebeurtenis-in-het-Niets van Newman lijken mij beter te passen dan bijvoorbeeld de drukke digitale vistas van VJ’s. Tracks als ‘Ping Pong’ weten meer dan welke vorm van minimale techno esthetische vragen te suggereren over muziek en ruimte: er is iets, geluid, omringd door niets. Waar eindigt de toon? Waar begint de leegte? Is die leegte eindig? Is het niets misschien onderdeel van de muziek? Blijf op deze manier vragen stellen en je wordt steeds dieper in de wereld van Plastikman getrokken.