zondag 2 juli 2017

Michael Mayer - DJ-Kicks: Pan-Europese Popmuziek 2017



Ja, een malle hoed zonder ironische gezichtsuitdrukking gedragen. Maar genoeg daarover. Michael Mayers zesde mixalbum is een van zijn sterkste. Niet zo verrassend als de originele Immer (2002), maar dat is vrijwel ondenkbaar op het moment, meer een geduldige uitwerking van de Kompaktesthetiek. Dat betekent een basis van ambachtelijke techno, vol zorg in synthesizers opgepoetst zodat de juiste balans tussen ruimte en melodie wordt gevonden, met een kenmerkend popgevoel. Geen pop die de klassieke liedjesstructuur gebruikt maar een echt 21ste eeuwse pop die een andere functie heeft (techno die overal werkt.)

Wat overigens niet betekent dat zijn DJ-Kicks vol verwijzingen naar het verleden zit. Op een of andere manier doen de melodieën en zang me steeds denken aan de Europarade, een radioprogramma van de TROS, gepresenteerd door Ad Roland, dat ik in mijn jeugd vaak in het weekend luisterde. De Europarade werd tussen 1976 en 1987 uitgezonden als een top-30, soms top-40, met platen die werden verzameld door een samenwerkingsverband van Europese radiostations. Ondanks de nodige overlappingen vormden de lijsten een verfrissend tegenwicht voor de steeds sterker wordende Anglo-Amerikaanse richting van Veronica. In de Europarade kon je vaak zomerhits eerder horen aankomen en werd je na de dictatuur van ABBA geconfronteerd met Italo-hits (Fun Fun hoorde je daar gegarandeerd als eerste), elegante Franse liedjes, Britse synthpop, een Spaans incident en excentrieke, soms superflauwe, Duitse hitexperimenten. DJ-Kicks is een voortzetting van dat Pan-Europese geluid, semi-naïef, licht erotisch, melancholisch en toch ergens...optimistisch?

vrijdag 30 juni 2017

De Jaren Negentig: Een Lijst

De afgelopen week las ik weer twee interessante interviews met artiesten die na een lange periode weer nieuwe muziek hebben uitgebracht. En beiden merkten iets op over het decennium waarin ze hun debuutalbums uitbrachten. Wolfgang Voigt in The Quietus:
The nineties were really an incredible decade – fast, inspiring, chaotic. Perfect for someone with a driven, twitchy and restless disposition like me. A lot of the music we made during this time was done in the flash of the night. We weren't thinking about eternity, posterity, longevity – there were just ideas that we wanted to work on, resolve, release – and to repeat the whole process with something new.
Porter Ricks op Pitchfork:
There was a period when this utopian scenario was almost true—when we felt that you could do almost anything in a club, as long as it was any good. There was no rigid expectation from the audience as to how it had to be delivered. But this didn't last very long. It was almost palpable, the decline of this in the new millennium. I remember periods where we didn't even have beats in our club sets, but people kept dancing. The beat wasn't even necessary, because it was a biokinetic experience—that's our metaphor for the dance and the body and all its expressions. From today's point of view, this would be totally impossible.
De terugkeer van deze artiesten kon je een paar jaar geleden haast als een soort logische verplichting aan voelen komen. Maar de bovenstaande woorden plus het feit dat een paar favoriete albums dit jaar alweer 25 jaar oud worden, zetten mij aan het denken: waarom was dat decennium muzikaal zo speciaal?

Om het systematisch aan te pakken greep ik naar het geijkte middel: het lijstje. De tien beste platen. Die had ik zo gevonden. Maar er bleef zo veel ongenoemd, tien was een oneerlijke reductie. Twintig dan maar. Ook te weinig. Vijftig, al veel beter. Maar uiteindelijk voelt honderd gewoon het beste (en zelfs dan nog, heb er 102 van gemaakt want ik was Heaven or Las Vegas vergeten naast mij favoriete album van 1999 en had geen zin om nog iets te verwijderen.) Hier volgen ze dus. Eerst die tien beste en vervolgens de rest gesorteerd per jaar. Pure albums, geen mix-cd’s, compilaties of 12-inches die samen met optredens net zo belangrijk waren (en precies de reden waarom 1996 er hieronder wat magertjes uitziet), maar je moet ergens beginnen. Zo op het eerste gezicht lag het zwaartepunt meer op de eerste helft van de decennium met een reeks geweldige jaren en merk je vanaf 1995-1996 een soort omslag richting duistere ingetogenheid.

My Bloody Valentine – Loveless (1991)
Aphex Twin – Selected Ambient Works Vol.2 (1994)
The Orb – Adventures Beyond the Ultraworld (1991)
Jane’s Addiction – Ritual de lo Habitual (1990)
Spiritualized – Lazer Guided Melodies (1992)
Talk Talk – Laughing Stock (1991)
Goldie – Timeless (1995)
Porter Ricks – Biokinetics (1996)
The Genius/GZA – Liquid Swords (1995)
GAS – Zauberberg (1997)

1990
The Breeders – Pod
Cocteau Twins - Heaven or Las Vegas
Happy Mondays – Pills ‘n’ Thrills and Bellyaches
KLF – Chill Out
Lush – Gala
Public Enemy – Fear of a Black Planet

1991
Cypress Hill – Cypress Hill
Eon – Void Dweller
Mercury Rev – Yerself is Steam
Nirvana – Nevermind
Pixies – Trompe Le Monde
Primal Scream – Screamadelica
Saint Etienne – Foxbase Alpha
Spacemen 3 – Recurring

1992
Alice in Chains – Dirt
Aphex Twin – Selected Ambient Works 85-92
Beastie Boys – Check Your Head
Dr Dre – The Chronic
Faith No More – Angeldust
Juliana Hatfield – Hey Babe
The Lemonheads – It’s a Shame About Ray
Medicine – Shot Forth Self Living
Ministry – ΚΕΦΑΛΗΞΘ
The Orb – U.F.Orb
Sonic Youth – Dirty
Stereo MC’s – Connected
Sugar – Copper Blue
Underground Resistance – Revolution for Change
X-102 – Discovers the Rings of Saturn

1993
AFX – Analogue Bubblebath Vol. 3
Björk – Debut
The Breeders – Last Splash
Cypress Hill – Black Sunday
Earth – Earth 2
Orbital – Orbital II
Plastikman – Sheet One
Polygon Window – Surfing on Sine Waves
Royal Trux – Cats & Dogs
Sandoz – Digital Lifeforms
SeeFeel - Quique
Stereolab – Transient Random-Noise Bursts with Announcements
Urge Overkill – Saturation
Wu-Tang Clan – Enter the Wu-Tang (36 Chambers)

1994
Autechre – Amber
Biosphere – Patashnik
DJ Shadow – What Does Your Soul Look Like
Future Sound of London - Lifeforms
Jeff Mills – Waveform Transmission Vol. 3
Mouse on Mars – Vulvaland
Portishead – Dummy
Sabres of Paradise – Haunted Dancehall
Stereolab - Mars Audiac Quintet
Underworld – dubnobasswithmyheadman

1995
A Guy Called Gerald – Black Secret Technology
Aphex Twin – ...I Care Because You Do
Autechre – tri repetae.
Basic Channel – Basic Channel
Björk – Post
The Black Dog – Spanners
The Cardigans – Life
Jacob’s Optical Stairway – Jacob’s Optical Stairway
Mobb Deep – The Infamous
Model 500 – Deep Space
Omni Trio – The Deepest Cut Vol. 1
Raekwon – Only Built 4 Cuban Linx...
Tricky – Maxinquaye

1996
Orbital – Insides
Swans – Soundtracks for the Blind
Tortoise – Millions Now Living Will Never Die

1997
Biosphere – Substrata
Björk – Homogenic
Daft Punk - Homework
Drexciya – The Quest
J Majik – Slow Motion
Jonny L – Sawtooth
Moodymann – Silentintroduction
Panasonic – Kulma
Photek – Modus Operandi
Reprazent – New Forms
Spiritualized – Ladies and Gentlemen We Are Floating in Space
Various Artists – Decay Product

1998
Air – Moon Safari
Boards of Canada – Music Has the Right to Children
Killah Priest – Heavy Mental
Kruder & Dorfmeister – The K+D Sessions
Massive Attack – Mezzanine
Plastikman – Consumed
Pole – CD1
Royal Trux – Accelerator

1999
GAS – Königsforst
Innerzone Orchestra - Programmed
Peace Orchestra – Peace Orchestra
Source Direct – Exorcise the Demons

vrijdag 23 juni 2017

De Konstantin Controverse

Een nieuwe controverse in de wereld van, ja van wat, house, techno...dance? Daar kom ik nog op terug. Eerlijk gezegd had ik alleen zijdelings van het Giegling label gehoord (een jonge collega is liefhebber en krijgt pretoogjes als weer een 12-inch in gelimiteerde editie kan worden besteld) en van Konstantin al helemaal niet (bewust). Maar al snel werd via social media een fragment uit een interview met Groove gedeeld, dat in eerste instantie prettig wegleest met zijn ideeën over Der Weimar-Spirit, maar waaruit op een gegeven moment blijkt dat de DJ/producer een seksistische hufter is. In het huidige tijdsgewricht kun je vervolgens ten onder gaan aan een soort online heksenjacht, wat een gevaarlijk fenomeen is, al helpen de laffe nepexcuses, waar men tegenwoordig in is gespecialiseerd, niet echt.

De controverse heeft denk ik een aantal interessante implicaties. De (domme) ideeën van Konstantin passen helaas naadloos in het huidige narratief van de blanke man die zich op een aantal vlakken onder druk voelt gezet. De broflake ziet in sommige gevallen spoken, maar in andere heeft hij gewoon te maken met een reële correctie op een eeuwenlange dominantie. Die correctie is al decennia aan de gang, maar blijkbaar worden de effecten van dekolonisering, feminisme, rechtsgelijkheid nu echt invoelbaar. Konstantins woorden verrassen daarom niet echt, zijn eigen utopie lijkt te worden doorprikt.

Maar zouden zijn woorden minder erg zijn als ze door een artiest in een ander genre werden geuit? En wat zegt dat over de relatie tussen de artiest (of denker), zijn werk en politieke gedachten? Om een voorbeeld te geven: Burzum beschouw ik als een meester in zijn genre terwijl ik, enigszins ongemakkelijk, zijn paganistisch-nationalistische ideeën accepteer. Maar in black metal weet je van te voren waar je aan begint. In house en afgeleiden ligt dit veel moeilijker. Dat heeft te maken met de oorsprong van house als een thuis/bescherming voor iedereen, een veilige haven, hoe tijdelijk, die voor minderheden in Chicago van groot belang was. ‘My House’ (1988) van Fingers Inc was en is nog steeds het statement:

  

Dit idee van universele acceptatie werd in Europa een aantal jaren, met als motor ecstasy, voortgezet als de knuffelutopie van acid en rave. Na 1991 volgde het uiteenvallen van de eenheid in verschillende subgenres die sindsdien zijn geëvolueerd en hun eigen kenmerken vormen, met daarbij horende (vaak onbewuste) sociale uitsluitingsmechanismen. In Duitsland is er altijd een potentieel geweest om van house een lokale volksmuziek te maken en de beruchte woorden van Mark Spoon op MTV (“the blacks have their hip hop and us whites have our techno”) gaven op botte wijze een breuk weer die met een aantal andere ontwikkelingen dansmuziek steeds minder aantrekkelijk hebben gemaakt en uiteindelijk types als Konstantin voortbrengen, een soort kinderlijke dictators die een fantasiebubbel scheppen.

En toch, ik kan me niet voorstellen dat Ricardo Villalobos of de artiesten van Kompakt zulke uitspraken zouden doen. Wat is dan het verschil? Is die wat vale Duitse deephouse een inherent fout genre? En kun je sociaalpolitieke ideeën in muziek herkennen? Dat is een vraag die al meer dan eeuw speelt ten aanzien van Richard Wagner en de vraag of zijn antisemitisme doorsijpelt in zijn muziek. En zo niet, kun je met die wetenschap toch genieten van zijn muziek? Ik denk van wel, zoals Voyage au bout de la nuit uiteindelijk een klassieker van de literatuur is, zonder dat Céline’s politiek achtergrond hier ook maar iets aan kan veranderen. Hoe groter de artiest, hoe sterker zijn kunst zijn politieke beelden tenietdoet. Wat dat betreft is het een geluk dat Hitler een middelmatige schilder en schrijver was. Het is een interessant en waarschijnlijk onbehagelijk denkexperiment om je Hitler voor te stellen als een geniaal schilder, een Picasso die toch besluit om het politieke pad te kiezen*.

* Ik noem het voorbeeld niet toevallig. Hitler speelt een aparte rol in China Miéville's The Last Days of New Paris, een fascinerende novelle over politiek en kunst.

zaterdag 17 juni 2017

Het was 50 jaar geleden...dat een monument van retromania werd geboren

 
Ik kreeg het een paar jaar gelden al benauwd van het idee dat Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band 50 jaar zou worden. Met name de vloedgolf aan artikelen die ouwe psychedelische koeien uit de sloot zouden halen, beangstigde me. Maar het lijkt uiteindelijk wel mee te vallen (eerlijk is eerlijk, een prettig bijeffect van de gepersonaliseerde informatiestroom). Pas de heruitgave (een belachelijk overdadig pakket) heeft een bescheiden stroom artikelen veroorzaakt, geen enkele die nieuwsgierigheid wekt, geen enkele belofte van een nieuw inzicht...omdat die er simpelweg niet zijn. Het voelt op een prettige manier obligaat, een ritueel waar niemand in gelooft, de monotone leegte van de hyperrealiteit. Het is retromania verdord, ontdaan van elke charme. Zo licht en onbetekenend dat het zelfs niet meer een bevrijdend potentieel heeft.

Zelf kocht ik 30 jaar geleden uit een soort plichtsbesef de eerste cd-versie van Sgt Pepper's, die op pedante wijze was uitgesteld om samen te vallen met het destijds 20-jarige jubileum (wat is 20 jaar nu? In 1987 leek het wel een artefact uit een andere eeuw.) Al snel lag de cd onbeluisterd in de kast totdat ik hem in een bevrijdend gebaar verkocht. Nooit gemist.

Sgt. Pepper's is een zelfbewuste Grote Plaat, zonder twijfel de eerste, die door de psychedelische cultuur werd afgedwongen en meteen als een self-fulfilling prophecy als zodanig werd omarmd. Die receptie is, denk ik, fataal geweest voor de waardering op lange termijn. Het album is snel op elk niveau ontleed en verzadigd en de status van Pet Sounds (relatief een commerciële tegenvaller) en Smile (destijds onafgemaakt) is door de jaren heen toegenomen. De eerste is veel persoonlijker en universeler, de tweede mythologischer en dieper. Sgt. Pepper's is een artefact dat zichzelf en zijn ambitie viert (van hoes tot spel met stijlen), afstandelijk, zonder dat de vreemde energie, de kinderlijke gewelddadigheid van de jaren zestig, zal kunnen worden herleefd die het mogelijk maakte.

Ik moest er weer aan denken naar aanleiding van dit interview met Herr Direktor Hütter van Kraftwerk GmbH. Interviewer Tim Jonze maakt terloops de opmerking die al een aantal jaren voorzichtig de ronde doet, namelijke dat Kraftwerk invloedrijker is dan The Beatles. Wat mij betreft is invloed (net als verkoopcijfers) niet heel interessant als criterium maar desondanks lijkt mij dit, behalve in kringen van hardcore rockisten, een weinig controversieel idee. The Beatles waren in de jaren zestig zonder twijfel invloedrijk maar na hun ontmanteling zijn ze eigenlijk alleen te gebruiken als pastiche, van fantasierijk (Electric Light Orchestra) tot onhandig (Oasis). Wat ook niet erg is en meer pleit voor het idee dat The Beatles compleet af was, een eigen stijl neerzette die alleen is te benaderen als imitatie waarmee het eigene van bijna elke artiest teniet wordt gedaan. Een sterke artiest als Prince op Around the World in a Day is misschien een van de weinige uitzonderingen.

Er is ongetwijfeld een niveau waarop het pastiche-effect van toepassing is op Kraftwerk. Je hoeft maar naar de eerste helft van DJ Hells laatste album Zukunftsmusik te luisteren voor een recentelijk voorbeeld (zonde want de tweede helft is redelijk fascinerende voodoo-house.) Maar de invloed van Kraftwerk is dieper en structureler en blijft nog steeds doorwerken. Laten we maar eens het beste denken van de (muziek)journalistiek en er van uitgaan dat men, bewust van deze continuïteit, het onkies vindt om nu al massaal te verschijnen met artikelen als “40 jaar Trans Europa Express”, “De Onpeilbare Invloed van Kraftwerk” en natuurlijk "10 Dingen Die Je Niets Wist Van Kraftwerk". Hopelijk blijft dat voorlopig ook zo.

zaterdag 3 juni 2017

VIP Dubplate remix

T'Raenon van Photek uit 1996 is onlangs in een remaster opnieuw uitgebracht. Een magnifiek staaltje peak jungle. Op YouTube werd me vervolgens deze magistrale remix uit 1995 aangeboden:




Klinkt allemaal nog steeds alsof het gisteren gemaakt is, iets waar ik ambivalente gevoelens over heb. Is het mogelijk dat de echte muziek van nu 20 jaar geleden is uitgebracht? En wat schort er tegenwordig dan aan muzikanten? Geeft de huidige apparatuur te snel goed klinkende maar middelmatige resultaten? Is er niet genoeg concurrentie? En zelfs wanneer ASC, Drew Lustman of Homemade Weapons goede platen maken voelt het toch niet hetzelfde. Er is een mysterieus gemis. Ik heb zelf allang geaccepteerd dat de de jaren negentig een toevalstreffer waren, een culturele Cambrische explosie die niet te herhalen is.

En als we die biologische metafoor doorzetten kunnen we stellen dat er nog genoeg fossielen zijn te vinden. YouTube geeft een aardig kijkje in de, al dan niet VIP, dubplate mixen die vaak vergeten zijn. Die super-exclusieve mixen die speciaal voor bepaalde dj's werden geperst zodat ze het publiek konden verrassen met nieuwe effecten en nog vreemdere ritmes. Soms verschenen ze veel later op een compilatie maar vaak genoeg verdwenen ze gewoon achter in de platenkast wanneer een nieuwe kraker zich aankondigde.



Een goede en uitgebreide compilatie van jungle dubplates uit de periode 1993 - 1997 leek me opeens een bijzonder goed idee. De rest van de muziekgeschiedenis is toch tig keer opnieuw geremasterd en in overbodige jubileumboxen heruitgebracht. Eigenlijk een zeer geschikt project voor het Soul Jazz label dat zich al in Londen bevindt. De echte paleontoloog kan ondertussen uren aan opnamen van de pirate radio uitpluizen op zoek naar obscure mixen:

maandag 8 mei 2017

Een opening richting een positieve toekomst?



Dit zou eigenlijk ‘De Toekomst van Frankrijk’ moeten heten, maar je moet ook je eigen beperkingen kennen en toegeven wanneer je te weinig kennis hebt om een serieus toekomstscenario uit te tekenen. Van buitenaf vermoed je al snel dat Frankrijk meer kan maar overmand is door een collectieve melancholie, of is dat niet inmiddels een mediamythe? De nieuwe president Macron schijnt te geloven in de mogelijkheid van een president die een land richting kan geven en in die zin is zijn jeugdige elan een goed teken, zijn Europese positiviteit een soort langverwachte stortbui in de woestijn. Iedereen heeft het er altijd over dat hij een bankier is geweest, maar van huis uit is Macron filosoof, assistent van Paul Ricoeur. Altijd een goed teken en in combinatie met zijn wat bedeesde manier van doen vermoed ik dat Macron hierdoor makkelijk is te onderschatten.

Zijn verkiezing is in ieder geval voorlopig het einde van het Europese neofascisme. Niet dat de leiders dit zullen accepteren. Maar net als bij Wilders zullen de omstandigheden voor Le Pen binnen nu en tien jaar waarschijnlijk nooit meer zo gunstig zijn. Ze had de “wind mee”, met Brexit, “gebalanceerde” media, een extreem onpopulaire zittende president, impliciete steun van terroristen, expliciete steun van Poetin en een leger aan hackers en trolls. Beter wordt het gewoon niet en toch is dit de grootste nederlaag in de reeks naoorlogse presidentsverkiezingen, met uitzondering van haar vader tegen Chirac in totaal andere omstandigheden. Als het Europese project een kans van slagen heeft is het nu met een nieuwe Frans-Duitse as, zonder de Anglo-Saksische dwarsliggers die zichzelf buitenspel hebben gezet. In die zin is er een opening richting een zonnige toekomst ontstaan, voor Europa, misschien zelfs voor het grootste deel van Eurazië.

Wat me misschien het meest aan de Franse verkiezingen heeft verbaasd is de teleurstellende houding van archaïsch links. En dan heb ik het niet over Benoît Hamon van de Parti socialiste die eigenlijk de meest vooruitstrevende ideeën presenteerde maar nooit kon ontsnappen aan de implosie van zijn partij. Het is de arrogante desinteresse van nieuwe ster Mélenchon om invloed uit te oefenen in de tweede ronde en een grote groep kiezers in het linkse spectrum, natuurlijk met instemming van querulant Žižek en zijn duffe leninisme, die allemaal op hun eigen manier durfden te stellen dat er geen wezenlijk verschil was tussen Macron en Le Pen. Als democratie nog iets is om voor te vechten is dit decadente nihilisme, wat nog het meest doet denken aan teleurgestelde voetbalsupporters, misschien een groter gevaar dan een paar extreemrechtse nostalgici.

Nadat ik deze tekst had gepubliceerd kreeg ik opeens een visioen van een Europese toekomst en later in de week werd een mooi contrast toegespeeld. Ik heb die gedachten op Medium verder uitgewerkt tot 'De saaie toekomst'.

zaterdag 29 april 2017

Eerste indrukken bij beluistering van Narkopop



Na 17 jaar is de vijfde van GAS verschenen. Wellicht dat er over een aantal jaar diepgaandere en frisse inzichten over zijn te formuleren, al vermoed ik inmiddels dat GAS zichzelf analyseert, of wel, de basisgedachten over de muziek zijn allang geleden gevormd en daar valt weinig aan toe te voegen. Iedereen met maar een beetje interesse in de Duitse cultuur kan de punten naar eigen inzicht verbinden. Maar gedachten zijn er natuurlijk meteen, om te beginnen kan ik de laatste tijd met tevredenheid terugkijken op het hoofdstuk ‘1993: De toekomst is onaf’ uit De Toekomst Hervonden waar ik de comeback van The Avalanches, Aphex Twin en GAS bijna met mijn wil probeer vorm te geven. Mijmerend dat de auteurtechno van de jaren negentig vol onontgonnen vertakkingen zit, kom ik op dit punt terecht:
Het mooiste voorbeeld is Zauberberg (1997) van GAS dat een complete wereld presenteert, een audiovisuele dagdroom, en hier ook nog filosofische en literaire referenties aan verbindt (zonder dat deze op de voorgrond treden). GAS is geen model dat herhaald kan worden, het is een unieke uiting. In plaats van een Grote Plaat (die iedereen dwingt op te letten) is de term Sterke Plaat beter: een plaat (een kunstwerk) met verschillende dimensies en lagen, een spel met betekenissen. En hiermee vermijdt men het idee van een programma voor vernieuwing, het recept voor de toekomst zoals opgesteld door de criticus of een comité. Wat deze vorm van muziek maakt tot wat het is, is een persoonlijk visioen. Het verschijnt.
En verschijnen deed het. Meteen is duidelijk dat we nu te maken hebben met een evenement. Een spel tussen (social) media en platenmaatschappij. Je vergeet daardoor bijna hoe de status van dit project door de jaren heen is toegenomen en hoe obscuur GAS destijds was. Alle albums verschenen op het experimentele Mille Plateaux label en waren, misschien met uitzondering van het bij vlagen glitchy Pop, op dat label zelf buitenbeentjes. Ze waren ook moeilijk te vinden. Ik bestelde Zauberberg samen met Las Vegas van Burger/Ink en mijn portemonnee huilde toen ik, pre-online shop, bij de platenwinkel moest afrekenen. Nu krijg je netjes een opulent boekwerk thuisbezorgd dat je bijna niet durft aan te raken en achter glas wilt plaatsen.

Het is hoe dan ook een object waaraan alle zorg is besteed en nadat je de naald in de groeven hebt geplaatst wordt snel duidelijk dat dit verreweg het best klinkende GAS-album is. Ik ben zeker geen vinylfetisjist maar de eerste indruk wat betreft geluid is dat het vinyl voller klinkt met een indrukwekkende baslaag die de kamer op een gegeven moment laat trillen.

Narkopop is ook muzikaal het grootst opgezette album in de GAS-serie, vergelijkbaar met supersymfonieën als de tweede van Mahler. Zauberberg had altijd de mooiste structuur: een blik op de berg, de reis door het woud die volgt en het bereiken van de bergtop zelf. Narkopop slingert meer, kent meer verschillen: sublieme miniaturen die glinsteren als Rijngoud en ergens in het midden van het woud een duister hart gevormd door een terugkerende reeks van drie kloppende basdrums die het album meteen riskant maken als psychedelische ervaring. Dit fragment is zonder twijfel het dichtst dat GAS bij kwaadaardige muziek komt, onnoembaar en heidens.

Ik hoor niet een directe uitschieter als het meesterwerk ‘Köningsforst 5’ maar verbaas me in eerste instantie vooral over die basdrum. Waarom is die zo belangrijk in deze muziek en maakt het GAS spannender dan het beatloze Rückverzauberung project? En wat maakt de basdrum van Voigt, die bijna generiek kaal klinkt, toch zo herkenbaar? Is het tempo net iets lager dan de conventies van dansvloertechno vereisen? Want dit is muziek die door 99.9% van de dj's niet gedraaid zal worden. Maar dat was GAS altijd al, een bevrijde vorm van techno, voor het individu, de wandelaar, de kosmonaut.

Voor veel meer informatie is dit interview met Wolfgang Voigt een aanrader. In het Duits, vol “Hertzblut” en “der permanenten Auseinandersetzung mit Widersprüchen”, zoals het hoort.

(illustratie: Oscar Droege)

vrijdag 14 april 2017

Mika Vainio (1963 – 2017)



Een van de cruciale muzikale momenten in mijn leven was het optreden van Panasonic in Paradiso 1997. Na het nieuws van de plotse dood van Mika Vainio heb ik mijn geheugen wat opgepoetst met Google. De avond was een samenwerking tussen het Sonic Acts festival en VIP Club. De laatste was waarschijnlijk de reden dat ik er met mijn vriendin naar toeging. VIP Club was door de jaren heen uitgegroeid tot een uiterst betrouwbare dansavond waar de beste dj’s en liveacts opwachting maakten. Ik ging die augustusavond DJ Spooky eens uitchecken en kwam in een bizarre ambiance terecht waar performance kunst, avant-garde en techno elkaar op compleet natuurlijke wijze ontmoetten (en die helaas ook nooit meer is geëvenaard, peak jaren negentig.) En toen verschenen er twee serieuze mannen op het podium, in mijn herinnering bevonden ze zich in een toren van apparatuur en speakers. Net als een groot aantal artiesten van die avond hadden ze oranje overalls aangetrokken. Wat volgde was een complete breuk met alles wat ik ooit had gehoord, of zelfs als muziek beschouwde. Het duo zette geduldig een veld op van sublieme machinale noise. Noise heeft meestal iets agressief en pijnlijks maar dit was duidelijk voorbij allerlei vaststaande kaders van mooi en lelijk. Het vormde een intensiteit die indrukwekkend, mysterieus, onvoorspelbaar, gedetailleerd en, niet onbelangrijk, super grappig was. Panasonic live was een bevrijdende ervaring, op het moment zelf maar ook als breuk die je daarna op hernieuwde wijze naar muziek laat luisteren.

De verrassing was waarschijnlijk een belangrijke factor. Ik had geen idee wie Panasonic waren. Het enige waar ik het bestaan (vagelijk) van kende, een connectie die ik daarna pas maakte, was het obscure label Sähkö waar Vainio onder andere platen als Ø uitbracht. Platen die destijds moeilijk te vinden waren en je waarschijnlijk alleen hoorde in sets van Richie Hawtin (veel later zouden zijn tracks hoekstenen vormen in het werk van Villalobos, Miss Kittin en recentelijk Nina Kraviz.) Vainio zag ik een aantal keren terug op Sonic Acts en altijd was het fascinerend wat hij, als een wat excentrieke laborant, uit zijn mysterieuze machines wist te draaien. Onvoorspelbaar bleef hij altijd. Knallende noiseplaten werden afgewisseld met donkere samenwerkingen (Hephaestus met Arne Deforce) of kosmische ambient (het meesterlijke Konstellaatio.) Vainio was een echte pionier die een unieke vertakking van Kraftwerk presenteerde, gegoten in een typisch Finse stijl, waar je als West-Europeaan allerlei fantasieën op kon projecteren. Een onvervangbare kunstenaar.

zaterdag 1 april 2017

Swans: samen op weg naar het niets

video


Ik ging met enige tegenzin naar Paradiso. Het was nog licht, “livemuziek is voorspelbaar geworden” en ik maakte me toch wel zorgen over de aanslag op het gehoor die me te wachten stond. Eenmaal binnen en strategisch op het balkon boven de geluidinstallatie van Paradiso gezeten voelde ik een lichte teleurstelling dat er maar een drumstel was opgesteld. Toen Swans daarna nonchalant nog even de instrumenten stemt, dacht ik: “oh nee, het is een ouwe lullenband geworden!” Misschien is dat gewoon onvermijdelijk maar de angst dat dit in conventionele muzikaliteit resulteert wordt direct weggenomen. Binnen twee minuten ben ik om. Michael Gira begint, zijn blik gericht op de drummer, een langgerekte noot te spelen. En zeer geduldig wordt deze drone harder en aangekleed met subtiele lagen en effecten, totdat onvermijdelijk de Swans-beuk losbreekt. Ik denk dat het iets van 20 minuten duurde en meteen heb je door dat je hier met de grootmeesters te maken hebt die Sunn o))) of Godspeed You! Black Emperor tot dilettanten reduceren.

Elke keer zet de band een nieuwe constructie op, in soms verrassend snel tempo, en meestal wordt een unieke spanning gecreëerd. Wanneer Gira, inmiddels 63, begint te zingen lijkt niets te zijn veranderd. Nog steeds die lange, bezwerende uithalen die je in combinatie met het volume bij de les houden. De sjamaan, de hogepriester, zijn betreurenswaardige clichés geworden in het schrijven over popmuziek. Het zijn er veel minder in aantal dan men pretendeert, maar Gira doet onvermijdelijk denken aan een obscure Amerikaanse priester—gevormd uit gelijke delen evangelist, oude bluesman, indiaan, Wizard of Oz—die hoog met zijn armen zwaaiend geluidsgolven oproept om ze vervolgens met draaibewegingen te laten kolken of naar het publiek te werpen. Leeftijd doet er meteen niet toe, want hij bezit door jarenlang opgebouwde kennis en ervaring een mooi mengsel van fragiliteit en kracht. Gira heeft iets dwingends, alsof hij een betovering construeert. Ik durfde lange tijd niet weg te kijken, een foto te nemen, te grijpen naar de ironische veiligheid van de smartphone, bang dat het de spanning zou breken. Het is een zonde om achteloos met zulke giften om te gaan.

Vooraf vroeg ik me af hoe Gira dit al langer dan 30 jaar volhoudt. Elke keer weer die spanning opbouwen. En waarom is dat bizarre volume, dat gebit tot gebouw tot trillen, toch nodig? Ik denk dat Gira niet anders meer kan. Hij heeft het wel een aantal keren geprobeerd (Angels of Light, zijn solowerk, Swans circa White Light from the Mouth of Infinity) maar hij is allang verslaafd aan de kracht van muziek en heeft dit (voorlopig? definitief?) geaccepteerd. En waar de meeste bands volume gebruiken als een soort macho overmeestering van het publiek heeft het bij Swans een subtielere, noodzakelijke functie. Het heeft me lange tijd verbaasd dat Gira een fervent LSD-gebuiker was omdat ik het lastig kon rijmen met Swans op zijn allerdonkerst en gewelddadigst. Maar in Paradiso viel alles op zijn plek, wellicht geholpen door spacey keyboardeffecten die sporadisch tijdens rustigere stukken even mochten ademen. Dit is intens psychedelische muziek die een kosmische waarheid oproept over de realiteit, een universum dat alleen maar uit energie bestaat met, zoals elke tripper weet, ergens verborgen een pad naar het niets. Of wel, bevrijding.

En dit is, door ritueel, ook een collectieve bevrijding. Gira zit duidelijk niet in een egotrip gevangen. Vooraf vraagt hij of de zaallichten niet teveel gedimd kunnen worden, alsof hij blijvend visueel contact met het publiek wil onderhouden. Een publiek dat hij dan ook samen met zijn collega's opvallend uitgebreid bedankt. Trance, hypnose, bevrijding is blijkbaar een samenwerking.

zondag 26 maart 2017

Original Pirate Material (de 2002 recensie)

Ik had er totaal niet bij stilgestaan. Waarom zou je ook? 15 jaar is echt een slecht excuus om terug te blikken. Maar blijkbaar is Original Pirate Material van The Streets 15 jaar oud (terzijde, een aantal veel betere platen wordt 30 jaar oud.) Ik draai dat album zelden meer maar het was wel een van de eerste albums die ik voor De Subjectivisten als haantje-de-voorste analyseerde. Joris Gillet viel op dat er veel terugblikken zijn geschreven en wees bovendien op dit leuke interview met de fotografe van die geweldige hoesfoto (waar ik in 2002 blijkbaar al zeer gecharmeerd van was.) Ik zou nooit iemand meer een bard noemen, maar het Ballard-citaat maakt veel goed.



 THE STREETS – ORIGINAL PIRATE MATERIAL 

The more arid and affectless life became in the high-rise, the greater the possibilities it offered. By its very efficiency, the high-rise took over the task of maintaining the social structure that supported them all. For the first time it removed the need to repress every kind of anti-social behaviour, and left them free to explore any deviant or wayward impulses.

 J.G. Ballard – High-Rise

Nou eindelijk heeft The Streets de weg naar de stereo gevonden. Lekker vier maanden lang mogen sudderen om de juiste hype temperatuur te vinden en dan eigenlijk toch een beetje te lang laten doorkoken zodat de opwinding al begint te verwateren door de onverwachte golf van uitmuntende releases van de afgelopen weken. Nu ik eindelijk het hele album kan beluisteren, gaat de eerste keer natuurlijk grotendeels langs me heen en begint het allemaal op zijn plaats te vallen na een paar fietstochtjes door de stad met Original Pirate Material op de koptelefoon. Wat muzikaal opvalt is hoe sentimenteel Mike Skinner eigenlijk is met zijn veelvuldige gebruik van piano en strijkers en hoe hij daarmee hele vreemde resultaten produceert. Nu al verslavend is de manier waarop ‘Turn the Page’ evolueert van edelkitsch tot een symfonische 2-Step rammer die op een hele slimme manier de onderliggende connectie maakt tussen militarisme en rave, niet alleen tekstueel maar ook op de manier waarop de continue crescendo de luisteraar oplaadt en uiteindelijk buiten zichzelf doet treden.

Twee gevoelens overheersen: de aanstekelijke energie van het brutale in ‘Let’s Push Things Forward’, een heerlijke middelvinger naar zeikerds die stellen dat “alles tegenwoordig hetzelfde klinkt” en een Britse grootstedelijke melancholie die langs lijnen van de danscultuur veel meer gevoelens van identificatie oproept dan de schijnbewegingen van Skinners accent en slang in principe zouden moeten toelaten. Wie jaren lang dansmuziek heeft geleefd en het weigert op te geven zal zich moeten kunnen identificeren met ‘Has It Come To This?’, die vraag die altijd in je achterhoofd rondspookt en zelden wordt uitgesproken. Al die jaren, al die energie, al die momenten van gelukzaligheid opgelost in tijd en herinnering. Dit thema wordt nog specifieker uitgewerkt op ‘Weak Become Heroes’ waarin Skinner op een oeroude housepianoriedel overmand wordt door nostalgie naar de tijd van zijn eerste pil. ‘Weak Become Heroes’ is verrassend ontroerend omdat Skinner op karakteristiek slimme wijze zowel de naïviteit als de bevrijdende schoonheid van die vergane housecultuur weet te vangen en dat is een prestatie van formaat.

Wat me echter nog het meeste fascineert is de cover van Original Pirate Material, eindelijk een ouderwetse albumcover die net zoveel “zegt” als de plaat die hij beschermt. Het beeld van een immens flatgebouw bij nacht is subliem, het vertelt met zijn lelijke pracht al precies het verhaal van de plaat. Zo wordt de flat een kaart van Skinners brein, achter de ramen, met of zonder licht voorbij de gordijnen, liggen talloze verhaaltjes die onze bard kan bezingen. Het is een indrukwekkend debuut, laten we hopen dat hij ondanks het succes in de buurt van die flat blijft wonen.

donderdag 16 maart 2017

De toekomst van Nederland

Nog een dan in deze reeks. De verkiezingen zitten erop. Geen aanslagen, geen Russische hackers, zelfs Wikileaks kwam met moeite een paar dagen wat weak sauce presenteren over Rutte en Wilders. Maar wel een een-tweetje Rutte – Erdogan waar toekomstige historici (ja, die beroepsgroep krijgt het druk) nog veel plezier aan zullen beleven. De VVD heb ik niets mee, maar aan Caesar wat aan Caesar toebehoort, Rutte heeft een prima campagne gevoerd. Rutte vindt paaseitjes en “prettig kerstfeest” zeggen natuurlijk helemaal niet belangrijk maar hij wist dat je, zelfs slecht acterend, met die domme praat op rechts scoort. Hij hoefde maar een paar debatten te kiezen, kon mooi dankzij de wederzijdse provocatie met Erdogan scoren en vervolgens in een direct duel met de monotone Wilders in de stijl van Dynamo Kiev eenvoudig naar een 3-0 overwinning counteren.

De dag na de verkiezingen was er in het buitenland (en bij opvallend veel mensen) een gevoel van opluchting dat in Nederland zelf niet werd gedeeld. Meteen is er namelijk een verhaal gecreëerd dat vervolgens als een mantra word herhaald: “Wilders is misschien niet de grootste maar het speelveld is wel naar rechts verschoven.” De toon was tijdens de campagne inderdaad populistisch, maar verkiezingen zijn in Nederland nooit echt hoogdravend, met de media die we nu hebben is het zelfs onmogelijk. Bovendien, Nederland is gewoon een land dat altijd naar rechts helt, zelfs in de jaren zeventig. Dat de PvdA is gedecimeerd is geen verlies van links want dat is al jaren een grijze neoliberale partij met xenofobe trekjes. In die zin is het hoopvol dat de leegloop richting echte linkse partijen heeft plaatsgevonden. En het is makkelijk te vergeten dat vorig jaar rond deze tijd er helemaal niets op links gebeurde. Jessiah is ook geen groot licht maar hij heeft in ieder geval iets positiefs en energieks, een jeugdige uitstraling die politiek links Nederland eigenlijk nooit heeft gekend.

Maar het grote plaatje is gewoon belangrijker dan het binnenlandse gepriegel. En dat grote plaatje is dat Wilders zichzelf onderdeel had gemaakt van een populistische kabel die van Brexit – Trump naar Le Pen zou lopen. De verkiezingen in Frankrijk zijn natuurlijk vele malen belangrijker dan die van Nederland maar Wilders was wel essentieel in het populistische verhaal. Een gevoel van onvermijdelijkheid zou zijn ontstaan als Wilders de grootste was geworden. En je merkt dat alles wat geen overwinning is in het buitenland wordt gezien als verlies. De subtiliteiten van de Nederlandse politiek interesseert vrijwel niemand (zoals de Nederlandse media ook niet geweldig is geïnformeerd over bijvoorbeeld verkiezingen in Spanje.) De conclusie is: Wilders heeft verloren, de winning streak is gebroken. En dat is voorlopig goed genoeg.

Na een toch wel beschamende verkiezingscampagne van ongekend laag niveau is het tijd om de Mickey Mouse bullshit achter ons te laten. De formatie van een regering wordt waarschijnlijk zeer complex en zal van alle partijen vragen dat ze over hun schaduw moeten stappen. Om D66 mee te laten doen zal toch de, al dan niet gespeelde, xenofobie moeten worden bijgeschaafd. En misschien komt men zelfs op een positiever (lees groener) verhaal uit waar zelfs het bedrijfsleven inmiddels naar smacht. Want net zo makkelijk kun je in de uitslag lezen dat Nederland balans zoekt (wat natuurlijk niet zo is, Nederland is geen enkele entiteit die iets vindt, en Amsterdam heeft bijvoorbeeld duidelijk compleet andere ideeën dan de rest van Nederland.) Maar ergens ligt een potentieel voor een prettig innovatief land dat internet know-how, groene energie en, laten we eerlijk zijn, wietteelt kan uitbouwen tot een werkelijk 21ste eeuwse samenleving die zich rustig kan voorbereiden op de onvermijdelijke robotisering.

Dat is eigenlijk de enige toekomst waar Nederland zich mee moet bezighouden. De vraag is of dat met veel of minder ruis gaat gebeuren. En daar ligt een schone taak voor media die zich de afgelopen jaren steeds erger zijn gaan misdragen door journalistieke grondbeginselen te laren varen voor de dictatuur voor de click. De click die gewoon beter reageert op negativisme. Het zou de pers sieren dat ze beginnen in te zien dat het experiment, de innige relatie, met Wilders zijn langste tijd heeft gehad. Hij gaat geen nieuwe ideeën bedenken en hij gaat ook niet groter worden dan dit, een periode waarin hij echt alles mee had -Brexit, Trump, een idolate media, enge Europese vriendjes, geldstromen uit Amerika-. Elke ontevreden PVV-stemmer is inmiddels geportretteerd in kranten en de gemedieerde obsessie met de Islam heeft absurde dimensies aangenomen. Tijd voor zelfonderzoek. Het aantal columns (gewoon meningen, vrijwel altijd oninteressant) radicaal terugbrengen, de opiniepagina alleen in de zaterdagkrant plaatsen en voor de rest gewoon weer journalistiek brengen. Onderzoek doen, macht controleren, de lezer informeren. [rewind in The Big Short stijl]. Dat gaat natuurlijk niet gebeuren. Dan is het tijd om mensen media-discipline bij te brengen, de trollen langzaam maar zeker te laten verhongeren. Zelf de informatiestromen vormen.

zondag 12 maart 2017

New York 2140

Even in the world-historical disaster that was first contact between the New World and the Old, even in a time of horrific, unthinkable mass death, we can still find seeds for the utopia that might have been founded then instead. Every moment has those seeds, Benjamin said; ours does too. In this way, New York 2140 truly is a document of hope as much as dread and despair. And it's a hope we'll dearly need in the Anthropocene, the Anthropocide, the Capitalocene, the Chthulucene, postnormality, whatever you want to call the coming bad years that, with each flood and drought and wildfire and "superstorm," we have to realize have already begun — our own shared moment of danger, as it now begins to wash up over our beaches, breach our levees, flash up at us in an ever-rising tide.
De conclusie uit de lekker lange recensie van Kim Stanley Robinsons nieuwste boek New York 2140 in Los Angeles Review of Books. Ik kan die man overigens niet bijhouden, loop zeker vier boeken achter. Zo lijkt het nog maar kort geleden dat hij die roman publiceerde over de problemen rond lange ruimtereizen. Het idee van een overstroomd New York leek me in eerste instantie een sciencefictioncliché, maar zo te zien heeft Robinson er weer wat zijn eigen draai aan gegeven. Zoveel boeken, zo weinig tijd.

vrijdag 24 februari 2017

Introductie Kritische massa

Het is ongeveer een jaar geleden dat Kritische massa werd uitgegeven. De laatste tijd zie ik links langskomen naar artikelen over het al dan niet overlijden van rockmuziek of het gebrek aan goede popkritiek. En ik moet toegeven dat ik moeilijk een interessante kritiek of recensie kan herinneren die recentelijk is verschenen, buiten een meesterlijke microrecensie van de laatste Metallica door Klaas Knooihuizen en de unieke associatieve essays van Ian Penman voor London Review of Books (maar opvallend, altijd met als startpunt een boek, nooit de muziek zelf.) Aangezien het 20 jaar geleden is dat Biosphere Substrata uitgaf, was ik nieuwsgierig wat men er sindsdien zoal over had geschreven, waarbij ik eerlijk gezegd veel moois had verwacht voor een album dat rijp is aan betekenis. Dat viel zwaar tegen, zozeer dat ik spijt kreeg dat ik het niet heb meegenomen in Kritische massa. Als je de klassieken niet kent, hoef je ook weinig inzicht te verwachten van muziek die nu verschijnt. Hoe dan ook ik denk dat onderstaande nog steeds geldig is.


An age that has no criticism is either an age in which art is immobile, hieratic, and confined to the reproduction of formal types, or an age that possesses no art at all.
Oscar Wilde – The Critic as Artist

Aan het begin van haar boek Glittering Images (2012) stelt kunsthistorica Camille Paglia dat het moderne leven een zee van beelden is die ons, dankzij overal aanwezige communicatietechnologie, dreigt te overspoelen. Leren om op kalme wijze beelden te duiden, is volgens haar van essentieel belang omdat dat wapent tegen continue afleiding, het grondt de identiteit. Hetzelfde geldt voor muziek. De twintigste eeuw vormde een lang crescendo dat werd gevormd door verschillende technologieën die stemmen, muziek en het geluid van bewegende (machine)delen versterkten en verspreiden. Dankzij popcultuur, film en reclame is muziek permanent aanwezig. Met de opkomst van internet is de intensiteit alleen maar toegenomen. De effecten van deze digitale intensivering beginnen de laatste jaren duidelijke sporen achter te laten in zowel de productie als consumptie van muziek. Een cruciale verschuiving heeft plaatsgevonden van muziek die wordt verspreid door fysieke dragers (vinyl, cassette, cd) naar pure digitale informatie in de vorm van mp3’s en streaming. Deze verschuiving heeft niet alleen gezorgd voor een grotere toegankelijkheid van muziek, het resulteert ook in kwalitatief minderwaardige audio. Daarnaast zijn de inkomsten van artiesten onder druk komen te staan. Als antwoord op deze veranderingen heeft de muziekindustrie zijn verdienmodellen aangepast waardoor het optreden een belangrijkere inkomstenbron is geworden, wat zich vertaalt in hogere entreeprijzen en een wildgroei aan festivals. Op een bepaalde manier vormt dit een onverwachte terugkeer naar de situatie van de jaren veertig van de vorige eeuw waar het optreden voor de muzikant centraal stond. Een positieve interpretatie zou vervolgens concluderen dat hiermee de authentieke muzikant terugkeert ten koste van de artificiële studioproducer en zijn playbackende poppen. Alleen zijn optredens nu veel technologischer en vaak tot in de kleinste details voorgeprogrammeerd. Het verschil met een studio-opname wordt steeds kleiner. Een schadelijker effect is het gebrek aan vernieuwing dat de digitalisering heeft veroorzaakt. Platenmaatschappijen hebben het afgelopen decennium minder geïnvesteerd in nieuwe artiesten en proberen extra inkomsten te genereren met cycli van heruitgaven uit het archief. De geschiedenis oefent een wurgende greep uit op jonge artiesten die geen kans krijgen om rustig een eigen stijl te ontwikkelen.
Tegelijkertijd is het schrijven over muziek veranderd. De eerste jaren van het internet (de tijd van muziekspelers als Winamp en Realplayer) leidden tot innovatieve manieren om over muziek te schrijven die vaak de afstand tussen muzikant, criticus en luisteraar verkleinden. Men startte blogs die vergeten platen en genres deden herleven of ontwikkelde experimentele stijlen die niet door een beperking van het aantal pagina’s of de conventies van het interview werden tegengehouden. Tijdschriften werden opgericht die de nieuwe mogelijkheden van internet verkenden en bijvoorbeeld audio op directe wijze combineerden met tekst en beeld. Die periode van enthousiasme ligt inmiddels achter ons. Een van de redenen voor de teruggang is dat na de eerste verkenning geen brede professionalisering heeft plaatsgevonden. Tekst is overal maar kreeg online nooit de juiste economische waarde toebedeeld. Veel van de vroege initiatieven hebben zich daardoor niet verder weten te ontwikkelen. Om toch inkomsten te genereren is een chaotische tekst ontstaan. Iedereen herkent het wel: de tekst met een clickbait-titel, waar na enkele alinea’s een reclamebanner volgt (die vaak suggereert dat het einde van het artikel al is bereikt) waarna een ingebedde Spotify-playlist of YouTube-video de aandacht definitief verstrooit. Het is een manier van schrijven die aan de lezer geen ruimte laat voor het verzinken in een gedachte, een manier van schrijven die een flikkerende leeservaring oplevert. Die geen respect heeft voor de schrijver en de lezer, van wie men blijkbaar verwacht dat deze een aandachtspanne van een amoebe bezit.
In eerste instantie waren de teksten waaruit Kritische massa is samengesteld, bedoeld als een alternatief voor dit onrustige online lezen: puur tekst zonder onderbrekingen. Wie de muziek wil luisteren, opent Spotify zelf wel in een ander tabblad. In boekvorm kennen we deze onrustige tekst niet, al pik je steeds vaker de klacht op dat de rust niet kan worden gevonden om zoveel te lezen als men ooit deed. Maar er was een tweede reden waarom deze reeks is geschreven: onvrede over de huidige staat van de popkritiek. Kritiek is hier niet bedoeld als synoniem van negativisme, maar als een positieve methode waarmee men op systematische wijze een werk analyseert, een vervolmaking van het kunstwerk door het leggen van connecties met andere kunstwerken en teksten. In dit proces maakt de criticus, met gebruik van eigen inzichten en een persoonlijke stijl, zoiets als een nieuw kunstwerk. Omdat het niet pure fictie is en toch zeer persoonlijk, vormt het traditioneel een werk met een onzekere status. Tegelijkertijd is kritiek gevulgariseerd tot de negatieve recensie, de zoektocht naar fouten. Het is mijn overtuiging dat het schrijven over popmuziek een vorm van kritiek kan zijn waarin het samenspel van muziek en tekst intrigerende ideeën en connecties produceert over allerlei aspecten van het moderne leven. Deze vorm van kritiek is in Nederland vrijwel afwezig. Schrijven over muziek is een soort alternatieve vorm van financiële journalistiek geworden met buitenproportionele aandacht voor de zakenkant van de muziekindustrie die volstrekt oninteressant is voor de buitenstaander en muziekliefhebber. De bovengenoemde verschuiving van inkomsten betekent ook dat er meer dan ooit aandacht wordt besteed aan nieuws rond de legaliteit en inkomsten van streaming naast de programmering van festivals. Onderwerpen die niets wezenlijks toevoegen aan muziek. Wanneer over oude albums wordt geschreven, is dat primair vanuit een commercieel oogpunt: de zoveelste special edition heruitgave of jubileum.
Kritische massa is geschreven tegen het idee van “de aanleiding”, urgentie in marketingtaal. De meeste albums die hier worden geanalyseerd, zijn binnen een half uur voor de platenkast geselecteerd omdat ik de behoefte voelde om er over te schrijven, niet omdat ze exact tien of twintig jaar geleden zijn verschenen. Vaak zijn het onderbelichte platen binnen een oeuvre, albums of artiesten die in het algemeen meer aandacht verdienen of genres waarvoor nog geen bevredigende kritische taal is gevonden. In eerder werk heb ik geopperd dat om de popmuziek en muziekkritiek weer in beweging te krijgen een (tijdelijk) embargo op schrijven over de canon moet worden overwogen. Maar waar legt men dan de grens? Het jaar 1977 heeft mij altijd een van de beste begrenzingen geleken. Punk als Jaar Nul. Ondanks dit streven heb ik het in de onderstaande selectie niet heel streng toegepast, al zijn de twee albums uit 1976 geenszins rockklasiekers. Jezelf ontdoen van een deel van de popgeschiedenis werkt verfrissend. Een gewicht valt van de schouders, er ontstaat zoiets als een persoonlijke, lichtvoetige geschiedenis. Wat niets afdoet aan de waarde van popmuziek uit de jaren vijftig en zestig. In deze periode werden de archetypen van de pop en rock gecreëerd: Elvis de oervader, The Beatles als goedlachse saters, Dylan als profeet, Hendrix als elektrische alchemist, The Doors als dionysische priesters, Brian Wilson als Messias van zon en melodie. De definitieve tekst die dit idee verbeeldt, is het boek Rock Dreams (1974) van Guy Peellaert en Nik Cohn. Na de jaren zestig volgt een periode van verstrooiing en worsteling met de archetypen die grotendeels nog steeds aan de gang is. De periode voor 1977 is ondertussen zo uitgebreid gedocumenteerd door middel van verschillende specialistische tijdschriften waar op de voorkant een kleine selectie canonieke muzikanten rouleert, rockumentary’s, de Top 2000 en nieuwe artiesten die vaak zonder gêne de archetypen kopiëren, dat er geen enkele eer meer aan valt te behalen. Wat overblijft, is een herhaling van zetten.
Kritische massa is vanzelfsprekend geschreven voor de liefhebbers van de individuele platen of artiesten, maar ook voor een jonge generatie schrijvers als bewijs dat het anders kan. De rol van voorproever is voorbij. Tegenwoordig kan iedereen zelf heel efficiënt uitmaken welke muziek bevalt. Algoritmes en sociale netwerken zorgen ervoor dat je muziek direct krijgt toegespeeld waarvan de kans groot is dat deze daadwerkelijk in de smaak zal vallen. Welke rol speelt de criticus dan nog? Op welke autoriteit kan deze zich nog beroepen? De criticus zal iemand zijn die rust en betekenis brengt in de wild kolkende oceaan van geluid, iemand die stromen kan lezen en bewegingen duiden. Bovendien vindt hij/zij het belangrijk om dit te delen zodat iedereen over deze kennis beschikt. De criticus leert dieper en verder luisteren. Van centraal belang hierbij is interpretatie: het lezen, verwerken en verbinden van muziek op verschillende niveaus. De interpretatie is persoonlijk en grenzeloos. De vijfentwintig kritieken die volgen zijn maar vijfentwintig mogelijke interpretaties die op allerlei manieren kunnen worden uitgewerkt. Een aantal conventionele begrenzingen moet men daarbij negeren. De bedoelingen van de artiest zijn interessant maar hoeven geen leidraad te vormen, ze bezitten geen definitieve autoriteit. Muziek kan op allerlei manieren worden verbonden en gemijnd voor betekenis. Over-interpretatie is geen zonde: de connectie die juist voelt, is juist. Met de komst van het digitale domein dreigt muziek objectloos te worden, wat een verlies inhoudt voor de criticus. Muziek is de afgelopen eeuw vrijwel nooit alleen muziek geweest. Het is ook een object dat wordt gepresenteerd in een hoes die de sfeer stuurt en associaties aandraagt voor de muziek. Artiesten doen vaak, al dan niet bewust, kritisch voorwerk. Het enige wat wij hoeven te doen is luisteren en de muziek in ons leven weven.

donderdag 16 februari 2017

American Psychosis: Trumpism and the Nightmare of History


So what is to be done? Is there a cure for the American psychosis? In the absence of an all-powerful alien civilization that comes from outer space to impose rationality on the American populace, I think not. In fact, if Nietzsche is correct that collective insanity is the rule rather than the exception, it seems best to admit that Americans are suffering from an incurable condition, right along with the rest of the human species. Like Athens, the world's first democracy, the United States is not immune to takeovers by tyrants and oligarchs, and in Trump we may have managed to get both for the price of one.
Uit het erudiete essay 'American Psychosis: Trumpism and the Nightmare of History' van W.J.T. Mitchell in Los Angeles Review of Books (geweldig tijdschrift en bijhorende website.) De historici van de toekomst gaan genieten van deze periode.

Hoe dan ook, het presidentschap van Trump is eigenlijk al ten einde. Hij is mentaal te onrustig, paranoïde, geobsedeerd met imago en zal nooit de balans vinden om vier jaar een land te leiden. Hij is binnen een maand geraakt door associaties in gelekte informatie die hem zullen blijven achtervolgen. De Amerikaanse overheid zal om hem heen proberen te functioneren, terwijl steeds meer gelekte informatie, vanuit diezelfde overheid en daar buiten, hem zal beschadigen. Er is waarschijnlijk een overdaad aan belastend materiaal in handen van allerlei instanties dat ongestraft naar journalisten wordt gelekt, die gewaarschuwd door de opgefokte controlestaat met eenvoudige encryptie hun bronnen beschermen en steeds meedogenlozer zullen worden.

Ik dacht eerder dat zijn partijgenoten hem op een gegeven moment gaan laten vallen maar niemand heeft baat bij een impeachment (een afgang voor de Republikeinen waardoor ze weggevaagd worden bij congresverkiezingen en ondenkbaar voor Trump die nooit een fout zal toegeven.) Het meest waarschijnlijke scenario is dat hij voorzichtig zal worden gemasseerd om vanwege gezondheidsredenen op te stappen. Ik durf wel te stellen: dit jaar nog. Maar zoals Mitchell in het bovenstaande essay concludeert is dat nog niet eens het begin van een serieuze oplossing voor de huidige waanzin.




zondag 5 februari 2017

Stresstest 2017



Ik moet toegeven dat het presidentschap van Trump een echt een nieuw fenomeen is. Reagan lijkt bij nader inzien bijna competent, Nixon een professional. Hij produceert bijna moeiteloos een vreemde chaos waar je eigenlijk afstand van moet nemen om helder te kunnen blijven functioneren. De ene dag word je overmand door een ongekend onbehagen dat sinds het begin van de jaren tachtig niet meer is gevoeld en de volgende dag is de incompetentie zo lachwekkend dat je er van overtuigd raakt dat het nooit lang kan duren voordat hij instort. Hopelijk is het ook snel afgelopen want zoals gebruikelijk is het isolationisme weer een loze belofte gebleken en zitten de yanquis al bij een aantal landen opzichtig te zuigen. Ik vermoed steeds steker dat de chaos een soort strategie is van het ware team achter Trump dat een heel naar plan langzaam wil implementeren terwijl iedereen zich druk maakt over duffe tweets en uitgesproken leugens van zijn spreekbuizen (de nu al legendarische Bowling Green “massacre”, “clean” coal.) Ik gok dat de Republikeinse Partij vlug pakt wat er te pakken is aan wetgeving over wapens, deregulering voor banken, de Supreme Court benoeming en dan Trump laat vallen omdat zijn fascistoïde neigingen de basis van het Amerikaanse systeem ondermijnen. Een positieve interpretatie beschouwt dit alles als een stresstest van het systeem waar men uiteindelijk verder op kan bouwen (al zal de tweedeling nooit meer verdwijnen.)

Een continue Trump shitshow kan in ieder geval Europa goed uitkomen omdat ultrarechtse politici iets te enthousiast zijn geweest over de verkiezing van Trump en een deel van hun potentiële kiezers aan het twijfelen zou moeten brengen (een deel, want er zijn genoeg Europeanen die Trump wel zien zitten.) Het baart me ook enigszins zorgen dat men, in ons klein-Amerika, zich soms meer druk lijkt te maken over de dagelijkse nonsens aan de overkant van de oceaan dan het voorkomen van een verkiezingswinst door een veroordeelde xenofoob. En zo niet dan proberen televisiezenders er al een tijd een soort Amerikaans verkiezingscircus van te maken, met natuurlijk nul inhoud, voorgekookte oneliners, een reductie van deelnemende partijen en dat allemaal met krukkige mannetjespolitci waaronder een premier die eigenlijk het liefst wenst dat hij naast May het andere handje van Trump mag vasthouden.

Nu zijn de Nederlandse Tweede Kamerverkiezingen vooral belangrijk voor de sfeer in Nederland, een premier W. maakt het vooral ongezelliger. Belangrijker is vanzelfsprekend dat Frankrijk houdt. Een president Le Pen is het einde van de E.U. en dat leek tot voor kort een onmogelijke uitkomst totdat gedoodverfde winnaar Fillon op voorspelbare wijze corrupt bleek te zijn. Zou op zich geen verlies zijn want een fundamentalistische neoliberaal, maar of de andere kandidaten hem kunnen overvleugelen is nog maar de vraag (Hamon is zelfs bijna zoiets als een visionair maar kan nooit de vloek van Hollande in korte tijd opheffen.) Je ontkomt niet aan het gevoel dat we komende maanden als koorddansers moeten manoeuvreren. En het gemene is dat een enkele goed getimede terroristische aanslag elke hoop op een positieve afloop teniet zal doen. De doodsklap voor Clinton kwam door de streek van F.B.I. -baas Comey en ik ben niet zozeer bang voor IS, dat op zijn gat ligt en bezig is met overleven, maar voor een veiligheidsdienst die strategisch op het juiste moment de andere kant opkijkt of even geen informatie doorspeelt. Wanneer je met dat soort scenario's rekening moet houden lijkt democratie in de stijl van de 20ste eeuw zijn terminale fase in te gaan. Only the paranoid survive.

vrijdag 27 januari 2017

Pigasus for president

Om een bepaalde reden moest ik deze week aan het verhaal denken van de Yippies die ergens in de jaren zestig een varken als presidentskandidaat presenteerden. En zowaar, YouTube heeft beelden van Pigasus uit 1968 (en er is een eigen Wikipedia lemma.) Zo visionair, al moet ik bekennen dat ik wel te doen heb met het brave varken.

zondag 15 januari 2017

K-punk (1968 - 2017)

Even uit de losse pols. Mark Fisher is te jong overleden, al moet ik eerlijk bekennen dat het nieuws mij uiteindelijk niet echt verraste. Zijn schrijven was, ondanks de intensiteit en energie, vrijwel altijd omgeven van een bepaalde zwaarmoedigheid. Niet zozeer pessimisme als existentiële onzekerheid. Ik las zijn K-punk blog vrijwel vanaf het begin en dat was zeker de eerste jaren een spannende bezigheid. Wanneer K-punk over muziek schreef, zeker wanneer hij artiesten als eerste analyseerde (Junior Boys, Burial) was hij een soort heksenketel van ideeën, slimme observaties en kleine grapjes (Springsteen omschrijven als Reich 'n roll.) Dit stuk over Joy Division was bijvoorbeeld buitengewoon goed (ook de enige keer dat ik contact met hem had, omdat hij nieuwsgierig was waarom ik zo enthousiast was.)

Maar het was duidelijk dat Fisher een persoonlijke schaduwzijde had, die op ongemakkelijke wijze -dit was voor social media- zichtbaar werd in zijn teksten, fases waarin hij als bezeten door een religieus visioen aan een nieuwe ethiek bouwde die onmogelijk te volgen was (al helemaal in de praktijk.) Na verloop van tijd keerde de luciditeit terug en kon hij plotseling weer enthousiasmeren over een nieuw album of een bijtende kritiek over de geestdodende bureaucratie van het Thatcher-Blair continuüm. Ik denk dat hij lange tijd, een van de leidende schrijvers was in wat we de blogosphere noemde. Hij was zonder twijfel geen allemansvriend, maar zelfs als je het niet met hem eens was, kon K-punk inspireren, dwong hij je om je eigen argumenten scherper te verwoorden.

Zijn overlijden voelt als een afsluiting van een tijdperk, niet alleen van de vruchtbare blogperiode, maar ook van de theoretische jaren negentig. Fisher was immers onderdeel van het Cybernetic Culture Research Unit aan Warwick University dat in een korte periode de bakens wist uit te zetten over allerlei implicaties van de digitale cultuur. Sadie Plant is missing in action, Kodwo Eshun actief in de kunstwereld, Nick Land is overgestapt naar de dark side en Mark Fisher is niet meer.

Een persoonlijk portret geschreven door Simon Reynolds is hier te vinden. David Stubbs schreef een mooi in memoriam.


maandag 9 januari 2017

Zygmunt Bauman (1925 - 2017)


De Poolse socioloog Zygmunt Bauman is op 91-jarige leeftijd overleden. Halverwege mijn studie raadde een van mijn professoren aan om Intimations of Postmodernity aan, een boek dat grote invloed zou hebben op mijn denkbeelden. Bauman was geen droge systeembouwer maar een speelse theoreticus die open stond voor veel denkers en deze in goed leesbare essays wist in te zetten om postmoderniteit vanuit verschillende invalshoeken te verklaren. En de meeste van die analyses zijn nog steeds actueel. Met Bauman verliezen we een echte intellectueel, tot op het laatst nieuwsgierig, een kalme denker tussen het gebazel van opiniemakers en geflipte ideologen.

Veel van Baumans ideeën besprak ik ooit in een overzichtsartikel voor Metropolis M uit 2006. Braaf gearchiveerd, dus dit is op een paar aanpassingen en vertaalde citaten na de versie die gepubliceerd is (met, zoals altijd, prachtige illustraties):

Vloeibaar samenleven in duistere tijden: de sociologie van Zygmunt Bauman

Een constante afweging tussen vrijheid en zekerheid. Dat is volgens de socioloog Zygmunt Bauman (geboren 1925, te Poznan) een van de belangrijkste kenmerken van het leven in de moderniteit van de 21ste eeuw. Bestaat dat dan nog, moderniteit? Menig socioloog heeft getracht een alternatieve benaming te geven voor die nieuwe sociale constellatie: tweede moderniteit, hypermoderniteit, late moderniteit, hoge moderniteit of zoals Bauman het in zijn zogenaamde liquid trilogie van toegankelijke maatschappijduiding noemt: vloeibare moderniteit. Met die drie boeken, Liquid Modernity (2000), Liquid Love (2003) en Liquid Life (2005) is Bauman bij een breder publiek zichtbaar geworden. Na het overlijden van Pierre Bourdieu, met Anthony Giddens verdacht als theoretische lakei van het project Tony Blair en Jean Baudrillard op zoek naar een vervolmaking van zijn nihilistische pensée radicale is Bauman de socioloog geworden die een brug slaat tussen de academische sociologie en het publiek debat. Zijn belangrijkste bijdragen aan het vak sociologie zijn afgerond, hij lijkt andere lezers te zoeken waarvoor zijn stijl en presentatie (korte, veelzijdige maar informatierijke boeken die door hun prachtige vormgeving niet misstaan op menig koffietafel) zich perfect lenen. Bauman heeft als geen ander de gave om zijn theoretische eruditie te vertalen naar de vragen die ons allen bezighouden, weet alledaagse dingen als kantoorparken, SUVs, internetdating, de GSM, de relatie kind-werk helder te duiden binnen grotere maatsschappelijke verbanden en trends. Hij weet op treffende wijze het existentiële onbehagen van de 21ste eeuw kenbaar te maken en heeft daar geen terrorisme voor nodig.

Uiteindelijk hoeft het niet te verwonderen dat een van de scherpste denkers over de aard van de moderniteit een eeuwige buitenstaander is, die als jonge man bijkans werd verpletterd door wat hij later zou omschrijven als de twee meest succesvolle uitingen van diezelfde moderniteit. Het ene, het Sovjet communisme was uiteindelijk ontvankelijker voor een joodse inwoner van de Poolse stad Poznan dan het andere, het oprukkende fascisme. Hij werd in 1968 tijdens een hernieuwde golf van antisemitisme Polen uitgejaagd, kon niet aarden in het hypernationalisme van Israël en leeft sindsdien in Engeland als sociologieprofessor aan de universiteit van Leeds. Maakt die status van buitenstaander Bauman tot de ultieme socioloog? Sociologen worden vaak gekenmerkt door een gevoel van onbehagen over het behoren toe, bezitten een sceptische houding ten opzichte van groepsprocessen.
           Bauman zal nooit een systeembouwer zijn. Het vangen van de sociale realiteit in een overkoepelend idee benauwt hem. Dat bevat zoals hij heeft bewezen in Modernity and the Holocaust (1989) een gevaar met een historisch precedent. Moderniteit wordt hier gepresenteerd als een universeel project van rationalisering en bureaucratisering dat zich tot taak stelde om verschil tussen mensen te doen opheffen. Helaas veroorzaakte het ook een morele erosie die samen met een technologische cultuur de vernietigingskampen mogelijk maakte. Ondanks kritiek op die interpretatie is het sindsdien onmogelijk om probleemloos over moderniteit te spreken, maakt het Verlichtingsfundamentalisten per definitie verdacht.
            In diezelfde periode signaleert Bauman een cruciale verandering in de rol van de intellectueel. Moderniteit was bovenal een perceptie van de wereld, een culturele ideologie die pretendeerde universele antwoorden te kunnen formuleren over waarheid, rechtvaardigheid en schoonheid. De intellectueel als drager van die waarden is over de jaren zijn macht kwijtgeraakt. De wereld wil zich niet vormen naar zijn modellen. De moderne staat kreeg meer behoefte aan een gedegradeerde intellectueel, experts om het sociale systeem draaiende te houden met technieken als surveillance, medicalisering en psychiatrisering. Het alternatief voor de intellectueel is een rol als interpretator. Nu moderniteit verdacht is, altijd in staat om weer tot massavernietiging over te gaan, de rol van de intellectueel als vazal van de moderne natiestaat lijkt uitgespeeld, is het tijd voor Bauman om de logische stap te maken en de interpretatieve intellectueel, en daarmee zichzelf, te plaatsen in een nieuw tijdperk van postmoderniteit.

Die stap blijkt bijzonder succesvol. Bauman is de socioloog van de jaren negentig. Er ligt een verzameling poststructuralistische theorie te wachten om “vertaald” te worden naar een sociologie die moeite heeft met het ontsnappen aan de eigen wortels in de moderniteit.. Die vertalende rol neemt Bauman glansrijk op zich in boeken als Intimations of Postmodernity (1992) en Life in Fragments (1995). Bauman heeft het moderne sociologische canon in de vingers maar onder invloed van schaduwsociologen als Jean Baudrillard, Michel Foucault of Roland Barthes praktiseert hij steeds meer een literaire sociologie. Zijn boeken worden verzamelingen van essays met verschillende thema’s die vaak, maar niet verplicht, op subtiele wijze met elkaar verbonden worden.
       Eén concept neemt al snel een centrale positie in: consumptie. Met name non-marxistische sociologen hebben altijd een zekere afkeer gekend van economisch reductionisme. Juist voor hen kan consumptie een interessant concept zijn omdat het door de economische wetenschap, waar het moet plaatsvinden als logische uitkomst van het productieproces, het maakt niet uit hoe, lange tijd is veronachtzaamd. Bauman voelt aan dat die hoe vraag juist een steeds belangrijkere rol speelt. In het interview aan het einde van Intimations of Postmodernity omschrijft hij het helder:

Consumerism stands for production, distribution, desiring, obtaining and using, of symbolic goods. Symbolic goods: that is very important. Consumption is not just a matter of satisfying material greed, of filling your stomach. It is a question of manipulating symbols for all sorts of purposes. On the level of the life-world, it is for the purpose of constructing identity, constructing the self, and constructing relations with others. On the level of society, it is in order to sustain the continuing existence of institutions, of groups, of structures and things like that. 

Hoe zijn ideeën ook verder zullen evolueren, dit zal tot op de dag van vandaag de kern van zijn analyse blijven. Postmoderniteit is voor Bauman een nieuwe sociale toestand die duidelijk verschillende kenmerken bezit in vergelijking met de moderniteit. Het mist in ieder geval het beeld van de geschiedenis als een beweging met een richting en deze richtingloosheid wordt aangevuld met eigenschappen die voor het moderne denken onwenselijke onzekerheid symboliseren: geïnstitutionaliseerd pluralisme, verscheidenheid, toeval en ambivalentie.
         Zoals eerder gesteld heeft dat op verschillende analytische niveaus belangrijke gevolgen, waarvan die van het individu en zijn of haar directe omgeving volgens Bauman de meest positieve mogelijkheden in zich draagt. De leefomgeving wordt een onvoorspelbaar, complex systeem waarin de afhankelijkheid tussen individuen laag blijft. Er is een hoge graad van autonomie om zelf de zin en de doelen van het leven te stellen wat resulteert in een “existentiële modaliteit” die zich laat karakteriseren door termen als onbepaaldheid, onbeslistheid, spontaniteit, ontworteling. Dit soort termen zijn typerend voor Bauman, die steevast weigert om op directe wijze te moraliseren. Woorden die beginnen met on- zijn vanuit een modern perspectief geladen met negatieve betekenissen en Bauman verwoordt hiermee subtiel zijn zorgen over maatschappelijke tendensen die vervolgens toch worden gerelateerd aan een context van mogelijkheden. Zo ontstaat iets als een overweldigende taak van vrijheid. Die vrijheid raast door het individu heen. Identiteit wordt een constructie, een levensproject zonder doel, een constante beweging van opbouw en afbraak. De enige continuïteit van dit proces is te vinden in de drager van identiteit: het lichaam (mooi omschreven als opnemer van indrukken en producent van publiek “leesbare” zelfdefinities.)
         Een onvoorzichtige lezing van Bauman zou tot de conclusie kunnen leiden dat we hier met een neo-liberalistische Goed Nieuws show te maken hebben. Toch is hij vanaf de basis niet blind voor de problemen die het primaat van consumentisme kan veroorzaken. De toegang tot tekens voor zelfconstructie verschillen immers per individu en zijn voor het grootste deel afhankelijk van een zekere financiële armslag. In Liquid Life is die problematiek van falende consumenten opeens veel grimmiger verwoord. Met vooruitziende blik schrijft hij over de potentiële slachtoffers van de door de inmiddels beruchte Franse minister van Binnenlandse zaken Nicolas Sarkozy ingestelde ‘uitwijzingsquota’:

They are truly and fully useless – redundant, supernumerary leftovers of a society reconstituting itself as a society of consumers; they have nothing to offer, either now or in the foreseeable future, to the consumer-orientated economy; they won’t add to the pool of consumer wonders, they won’t lead ‘the country out of depression’, reaching for credit cards they don’t have and emptying saving accounts they don’t possess – and so the ‘community’ would be so much better off were they to disappear… 

Het is een citaat dat representatief is voor de pessimistischere toon in Baumans recente werk. Plotseling is daarin de term postmodern verdwenen zonder dat er een echte aanleiding voor is aan te wijzen, de continuïteit met Baumans werk uit de jaren negentig is daarvoor veel te groot. Vloeibare moderniteit is eigenlijk niets meer dan een synoniem voor postmoderniteit. Waarom die manoeuvre? Een aspect zal distinctiedrang zijn, er is onnoemlijk veel geschreven over postmodernisme terwijl er nog relatief weinig eer aan te behalen is, het is een geaccepteerd fenomeen dat vervolgens positief maar over het algemeen negatief gewaardeerd kan worden. De discussies over postmodernisme zijn altijd doordrongen geweest van de vraag: “en hoe nu verder?” Vloeibare moderniteit is een manier om voorbij de slopersmentaliteit van postmodernisme te denken.

Wat is een vloeibaar leven? Het is een leven in een maatschappij waar vrijwel alles in beweging is en weigert consistent te worden (in de zin van de structuren die de oude versie van moderniteit pretendeerde neer te zetten.) In Liquid Love omschrijft Bauman hoe die beweging niet alleen ons denken over liefde en seksualiteit veranderd maar menselijke relaties in het algemeen (de omgang met je buren, vreemdelingen.) In het verlengde van het vrije leven door middel van consumptiekeuzes zoekt men steeds vaker uitstel van vastigheid op het gebied van liefdesrelaties. Opties moeten open gehouden worden, er heerst een angst voor definitieve binding (er is waarschijnlijk altijd een betere relatie te vinden, bovendien is een relatie die niet werkt een mogelijke blokkade voor verdere zelfontplooiing.) Men spreekt volgens Bauman eigenlijk liever over netwerken in plaats van partners. In een netwerk van “virtuele relaties” is het makkelijker om tijdelijke connecties te maken en pauzes te nemen. Het is een heldere manier van met elkaar omgaan, waar het afbreken van relaties zonder veel drama en emotionele investering plaatsvindt.
         Vloeibaar leven is een consumerend leven. Ondanks zijn weigering om harde oordelen te vellen lijkt de mens in Liquid Love verdacht veel op een vampier die zijn liefdes consumeert en vervolgens achterlaat. Maar er sluipen problemen binnen. De herschepping van het individu door consumptie, voorheen toegejuicht als model voor sociale reproductie, nu geduid als een modernistisch project op individueel niveau, is een privilege. Het is duidelijk dat een levenspeil zoals de rijkste Westerse landen voorstaan onmogelijk op planetaire schaal is te implementeren. Er is sprake van een fundamentele ongelijkheid die een nieuw soort klassen produceert waaronder een mondiale elite van zelfreflexieve consumenten, zogenaamde culturele hybriden.
          Hybride cultuur is extraterritoriaal, het schenkt een vrijheid om in beweging te zijn op mondiaal niveau, een gedistribueerd niemandsland waarin je nimmer echt thuishoort. Wie binnen is, hoe tijdelijk van aard dat lidmaatschap ook mag zijn, leeft in een prachtige wereld zonder geloofwaardige hiërarchie, waar autoriteiten geen enkele grip op het gebied van cultuur en ideeën kunnen krijgen, waar identiteit permanent onbepaald is. Hybride cultuur is extracultureel, eclectisch, onbevooroordeeld en voelt als echte vrijheid. Het is duidelijk dat deze klasse haar tegenhanger kent in al diegenen die beweging wordt ontzegd, die gevangen zitten in een opgelegde identiteit (fundamentalisme is hier niet meer dan een keuze om die opgelegde identiteit te waarborgen in het zicht van een globaliserende ideologie van vrije markt en individualisme.) Hier speelt Baumans nieuwe favoriete, negatieve metafoor en realistische zorg een belangrijke rol: afval. Afval is het product dat de vloeibare consumptiemaatschappij in overvloed schept en steeds moeilijker kwijtraakt, afval is waartoe je wordt gereduceerd als mislukt consument.

Kan kunst hier een rol van betekenis spelen? Dit is een favoriete manoeuvre van pessimistische sociale commentatoren. Bij Bauman lijkt daar in eerste instantie weinig ruimte voor. In het essay over cultuur in Liquid Life analyseert hij de relatie tussen de van oorsprong gerelateerde termen cultuur en management en hoe beide narratieven op gespannen voet leven omdat zij hetzelfde doel nastreven: het veranderen van menselijk gedrag. Het hoeft niet te verbazen dat de, door de artiest verachte, manager als agent van de markt, in plaats van de natiestaat, nieuwe criteria heeft ontwikkeld die zich laten leiden door consumptie (en de daarbij horende snelheid en circulatie die slecht werken in de culturele praktijk.) Met voorspelbare gevolgen: culturele producten dienen zichzelf te legitimeren in termen van marktwaarde. Beroemdheid, merk en het evenement zijn beter geschikt om de korte aandachtsspanne van de consument te bereiken. Vloeibare moderniteit is een cultuur van discontinuïteit en vergeetachtigheid. Die woorden zijn nog niet uitgesproken of Bauman gaat op zoek naar representatieve artiesten van de vloeibare moderniteit. Jacques Villeglé affiches lacéréés, de gelaagde collages van Manolo Valdes waarvan niet duidelijk is of ze nog afgemaakt moeten worden of al uit elkaar vallen en Hermann Braun-Vega’s schilderijen van onmogelijke ontmoetingen, reproduceren het vloeibaar moderne:
It is expressed over and over again – in the tendency to reduce the lifespan of products of the arts to a performance, a happening, at the most to the duration of a ‘from-to’ exhibition; in the preference for frail and friable, eminently degradable and perishable materials among the stuffs of which art objects are made; in the earth works unlikely to be visited by many or to survive for long given the caprices of the inclement climate; all in all – in incorporating the imminence of decay and disappearance into the material presence of artistic creation.
Is herkenning genoeg? Natuurlijk niet maar Bauman is ook sluw genoeg om in te zien dat aan een uitgestippeld sociaal programma weinig eer valt te behalen. In navolging van een andere favoriet kunstwerk, Gediminas Urbonas vier arctische containers waarvan één, in plaats van kunstobjecten, leegte bevat waarop de bezoeker betekenissen kan projecteren, zoekt Bauman voorzichtig naar hoop in “duistere tijden”. Een centrale rol is in ieder geval gereserveerd voor de geërodeerde publieke ruimte als plek van dialoog, waar diversiteit (de motor van culturele verandering) opbloeit. En dat zou een nieuw soort publieke ruimte op planetair niveau moeten zijn, voor een politiek en verantwoordelijkheid op dezelfde schaal, aangezien de problemen zich ook op dat niveau afspelen. Formidabele hordes dienen zich in ieder geval aan, gezien de steeds groeiende complexiteit van de wereld, de angst die de publieke ruimte steeds meer overheerst en de onmiskenbare nadruk op korte termijn denken. Bauman hoopt op een oplossing die we ons nu nog niet kunnen voorstellen al kan je jezelf afvragen of in ons bewustzijn niet een fatale verstrengeling heeft plaatsgevonden, waarin we de wereld kunnen overzien maar nooit tot actie zullen overgaan totdat problemen de directe levenssfeer binnendringen.